Catullus Carmen 1.
Aan wie geef ik [dit] leuke nieuwe boekje,
zojuist met droge puimsteen gepolijst?
Cornelius, aan jou: jij had namelijk toen al de gewoonte
te denken dat mijn bagatellen iets waren,
toen jij als enige van de Italiërs het hebt gedurfd
om de hele eeuwigheid te ontvouwen in drie geschriften,
geleerd, Jupiter, en met zwoegen tot stand gekomen.
Heb daarom voor jou wat dit boekje ook is en
wat het ook waard is; en moge dit, o beschermende vrouwe,
méér dan een generatie eeuwig blijven.
Catullus Carmen 2.
De mus, lieveling van mijn meisje,
met wie ze gewoonlijk speelt, die ze gewoonlijk op haar
schoot houdt,
aan wie ze gewoonlijk haar vingertopje geeft wanneer
hij pikt
en van wie ze gewoonlijk de felle beetjes uitlokt,
wanneer het mijn stralend voorwerp van mijn verlangen
behaagt om een aardig - ik weet niet wat voor - spelletje
te spelen
en troost voor haar verdriet,
ik geloof, opdat de zware hartstocht tot rust komt:
kon ik maar zoals zij zelf met jou spelen
en de zorgen van mijn bedroefde hart verlichten!
Catullus Carmen 3.
Treurt, O Venussen en Cupido's,
en hoeveel er is van behoorlijk fijngevoelige mensen:
de mus van mijn meisje is dood,
de mus, het liefje van mijn meisje,
die zij meer liefhad dan haar eigen ogen,
want hij was honingzoet en kende zijn meesteres
zo goed als een meisje haar moeder,
en zij bewoog zich niet van haar schoot,
maar rondhippend nu eens hierheen dan weer daarheen
tjilpte hij voortdurend naar alleen zijn meesteres;
en hij gaat nu over een duister pad
daarheen, waarvan ze ontkennen dat iemand terugkomt.
Maar moge het jullie slecht gaan, ellendige duisternis
van Orcus, jullie die alle mooie dingen verslinden:
zo'n mooie mus hebben jullie mij ontnomen.
O wat een wandaad! O ongelukkig musje!
Door jouw toedoen zijn nu
de gezwollen oogjes van mijn meisje door het huilen rood.
Catullus Carmen 5.
Laten we leven, mijn Lesbia, en laten we liefhebben,
en laten we de kletspraatjes van te strenge oude mannen
allemaal 1 as waard achten!
Zonnen kunnen ondergaan en teruggaan:
wanneer voor ons eenmaal het korte licht ondergaat,
moet er een onafgebroken nacht geslapen worden.
Geef me duizend kussen, vervolgens honderd
dan duizend andere, vervolgens een tweede honderd,
vervolgens onafgebroken duizend andere, dan honderd.
Daarna, wanneer we er vele duizenden gegeven zullen hebben
zullen we die verwarren, zodat we het niet weten,
of in elk geval zodat niet een of andere slechterik afgunstig
kan zijn,
omdat hij weet dat het zoveel kussen zijn.
Catullus Carmen 7.
Je vraagt, hoeveel kussen van jou voor mij
genoeg en meer dan dat zijn, Lesbia.
Een hoe groot getal van Libisch zand
er ligt in het lasarpicium voortbrengend Cyrene
tussen het orakel van de gloeiende Jupiter
en het heilig graf van de oude Battus;
of hoeveel sterren, wanneer de nacht zwijgt,
de heimelijke liefdes van mensen zien:
zoveel kussen aan jou geven is
voor de waanzinnige Catullus genoeg en meer dan dat,
zodat de nieuwsgierigen die niet kunnen tellen
en de kwade tong ze niet kan betoveren.
Catullus Carmen 8.
Ongelukkige Catullus, houd op dwaas te zijn,
en beschouw dat, waarvan je ziet dat het ten onder is
gegaan, als verloren.
Eens schitterden voor jou stralende zonnen
toen je geregeld kwam waarheen je meisje je leidde
bemind door mij zoals geen meisje bemind zal worden.
Toen daar die vele leuke dingen gebeurden
die jij wilde en je meisje ook,
schitterden voor jou echt stralende zonnen.
Nu wil zij niet meer: ook jij, onmachtige, moet niet
meer willen
en achtervolgen haar die vlucht niet, leef niet ongelukkig,
maar verdraag het met vastberaden ziel, volhard.
Vaarwel meisje, Catullus verhardt reeds
en zal je niet opzoeken en niet tegen je zin vragen.
Maar je zult pijn hebben, wanneer je niet gevraagd zal
worden.
Wee jou, welk rampzalig leven wacht jou?
Wie zal nu naar jou toegaan? Aan wie zal je mooi schijnen?
Wie zal je nu beminnen? Van wie zal je gezegd worden
te zijn?
Wie zal je kussen? Bij wie zul je de lippen bijten?
Maar jij, Catullus, volhard vastbesloten.
Catullus Carmen 11.
Furius en Aurelius, vrienden van Catullus,
zal hij doordringen tot de verre Indiërs,
waar de kust door het oostelijk ver weerklinkend water
wordt gebeukt
of naar de Hyrcani of verwijfde Arabieren
of naar Skythen of pijldragende Parthen
of naar de zee die de Nijl met zeven mondingen kleurt,
of zal hij over de hoge Alpen gaan,
bezichtigende de gedenktekens van de grote Caesar,
de Gallische Rijn huiveringwekkend watervlak en zeer
verre Britten,
al deze dingen, wat de wil van de hemelbewoners ook maar
zal brengen,
zijn jullie bereid dit tegelijk te trotseren,
bericht mijn meisje enkele niet prettige woorden.
Laat ze leven en gezond zijn met haar echtbrekers,
welke ze alle driehonderd tegelijk omhelzend vasthoudt,
geen enkele echt beminnend, maar herhaaldelijk van allen
de lendenen stotend;
laat haar niet omkijken naar mijn liefde, zoals eerder,
die door haar schuld is gesneuveld als een bloem
aan de rand van de weide, nadat deze is geraakt door
een passerende ploeger.
Catullus Carmen 13.
Mijn Fabullus, bij mij zul je goed eten
in weinig dagen, als de goden jou gunstig gezind zijn,
als je met jou zal hebben meegebracht een goede en royale
maaltijd, niet zonder een stralend meisje,
en wijn en zout en alle schaterlachen.
Als je dit, ik zal het je zeggen, meegenomen zal hebben,
lieve man van mij,
zal je goed eten; want de beurs van Catullus
is vol spinnenwebben.
Maar als tegenprestatie zul je zuivere liefde ontvangen
of iets wat zoeter en fijner is:
ik zal je immers de zalf geven, die
Venussen en Cupido's aan mijn meisje gaven.
Wanneer je dit zult ruiken, zul je de goden vragen,
dat ze jou, Fabullus, helemaal tot neus maken.
Catullus Carmen 26.
Furius, jullie villaatje is niet blootgesteld aan vlagen
van de Zuidenwind
noch aan die van Westenwind
noch aan die van de woeste Noordenwind of Oostenwind,
maar aan vijftienduizend tweehonderd sestertiën.
O gruwelijke en rampzalige wind!
Catullus Carmen 31.
Sirmio, sierraad van schiereilanden en eilanden,
welke beide watergoden in stromende meren
en de grootse zee ook maar dragen,
hoe graag en hoe blij zie ik je weer,
nauwelijks mij zelf gelovend dat ik Thunia en de Bithynische
vlaktes heb achtergelaten en in veiligheid jou zie.
O wat is er zaliger dan na het afleggen van je zorgen,
wanneer de geest haar last terzijde legt, en wij van
de inspanning
in het buitenland vermoeid aankomen bij onze huisgod,
en gaan rusten in ons verlangde bed?
Dit is het wat als enige opweegt tegen zo grote vermoeienissen.
Dag, o lieflijk Sirmio, en wees blij met je blije meester,
en jullie, o golven van het Etrurisch meer,
lacht wat er thuis aan schaterlachen is.
Catullus Carmen 37.
Geile kroeg en jullie stamgasten,
negende deur vanaf de broers met de vilten muts,
denken jullie dat alleen jullie een pik hebben,
dat het alleen jullie toegestaan is, wat er ook aan meisjes
is,
plat te neuken en te denken dat de anders stinkende bokken
zijn?
Of, omdat jullie met honderd of tweehonderd stom op een
rijtje zitten,
denken jullie dat ik het niet zal durven
om tweehonderd die daar zitten tegelijk tot mondhoer
te maken?
Maar denk toch na: want ik zal de gevel van heel die
kroeg van jullie met pikken bekladden.
Want mijn meisje, die van mijn borst weg is gevlucht,
zo bemind als geen meisje bemind zal worden,
voor wie door mij grote oorlogen gestreden zijn,
is daar aangeschoven. Haar beminnen jullie allemaal,
van goede komaf en welgesteld,
en zelfs, wat ongepast is,
allemaal nietsnutten en echtbrekers uit achterbuurten;
Jij, als enige, meer dan alle andere vanwege je lange
haar,
zoon van konijnenrijk Celtiberia,
Egnatius, die een dichte baard knap maakt
en een gebit, opgepoetst met Spaanse urine.
Catullus Carmen 38.
Cornificius, het gaat jouw Catullus slecht,
slecht gaat het, bij Hercules, en ellendig
en meer en meer met de dagen en met de uren.
En, wat toch het minste en gemakkelijkste is,
met welk woord heb je hem getroost?
Ik ben boos op je. [Ga je] zo [om met] mijn liefde?
[Stuur me] wat ook maar van een woord,
droeviger dan tranen van Simonides.
Catullus Carmen 46.
De lente brengt de zachte warmtes al terug,
reeds komt de razernij van de hemel wanneer dag en nacht
even lang zijn
tot rust door aangename winden van de Zephyrus.
Catullus, de Phrygische vlaktes moeten achter je gelaten
worden
en de vruchtbare streek van het hete Nicaea:
laten we naar de beroemde steden van Asia vliegen.
De popelende geest verlangt al naar het rond trekken,
de voeten worden sterk, al blij door het enthousiasme.
O zoete ontmoetingen met mijn gezellen, gegroet,
die, tegelijk van huis ver op weg gegaan,
afwijkende wegen verschillend terugbrengen.
Catullus Carmen 47.
Porcius en Socration, twee linkerhanden
van Piso, schurft en honger van de wereld,
heeft die besneden Priapus jullie verkozen
boven mijn Veraniolus en Fabullus?
Houden jullie overdag al overdadig weelderige
banketten, mijn kameraden
vragen op een kruispunt om uitnodigingen.
Catullus Carmen 49.
Meest welsprekende van Romulus' kleinzoons,
hoe vele er zijn en hoe vele er waren, Marcus Tullius,
en hoe vele er later zullen zijn in andere jaren,
Catullus betuigt jou grootste dank,
de slechtste dichter van allen,
zozeer de slechtste dichter van allen,
als jij de beste pleiter van allen bent.
Catullus Carmen 50.
Licinius, op de vrije dag van gisteren
hebben we veel gespeeld op mijn schrijfplankjes,
zoals het gepast was dat we verfijnd waren:
elk van ons speelde, versjes schrijvend
nu eens in deze, dan weer in die versmaat,
wedijverend met scherts en wijn.
En daarvandaan ging ik, door jouw charme
en geestigheid, Licinius, aangestoken,
zodat eten mij - ellendige - niet beviel
en slaap mijn oogjes niet met rust toedekte,
maar wild door de opwinding bleef ik in het hele bed
woelen, verlangend het daglicht te zien,
om met je te praten en bij je te zijn.
Maar nadat mijn ledematen door de inspanning uitgeput
halfdood op mijn bedje lagen,
maakte ik voor jou, aardige man, dit gedicht,
zodat je daaruit mijn verdriet kunt doorzien.
Pas er nu voor op brutaal te zijn, en pas er voor op
onze beden,
we smeken je, oogappeltje, uit te spuwen,
zodat Nemesis geen genoegdoening van jou opeist.
Zij is een gewelddadige godheid: kijk uit deze te beledigen.
Catullus Carmen 51.
Hij lijkt me gelijk een god te zijn,
hij lijkt me, als het is toegestaan, de goden te overtreffen,
hij die tegenover jou zittend jou herhaaldelijk
aankijkt en aanhoort
terwijl je zoet lacht, wat mij, ongelukkige, alle
gevoelens ontneemt: want zodra ik jou,
Lesbia, heb aangekeken, is er voor mij niets over
[van mijn stem]
maar mijn tong is verlamd, een fijne gloed stroomt neer
tot onder mijn ledematen, door eigen geluid
suizen mijn oren, mijn ogen worden bedekt
door dubbele nacht.
Ledigheid is voor jou, Catullus, lastig:
door ledigheid ben je overmoedig en ben je al te uitgelaten:
ledigheid heeft eerder zowel koningen als gelukkige steden
Ten onder laten gaan.
Catullus Carmen 58.
Caelius, onze Lesbia, die Lesbia,
die Lesbia, die Catullus als enige
meer dan zichzelf en al de zijnen heeft liefgehad,
trekt nu op viersprongen en in nauwe steegjes
de kleinzoons van de edelmoedige Remus af.
Catullus Carmen 70.
Mijn vrouw zegt met niemand liever te willen trouwen
dan met mij, zelfs niet als Jupiter zelf haar vraagt.
Ze zegt het; maar het is gepast om datgene,
wat een vrouw zegt tegen een vurige minnaar,
te schrijven in de wind en het stromende water.
Catullus Carmen 72.
Je zei eens dat je alleen Catullus kende,
Lesbia, en dat je Jupiter niet in mijn plaats als man
wilde vasthouden.
Toen heb ik jou liefgehad, niet zozeer als het volk een
vriendin
maar zoals een vader zijn kinderen en schoonzoons liefheeft.
Nu heb ik je leren kennen: hoewel ik daarom heviger brand,
ben je voor mij toch veel goedkoper en lichter.
Hoe dit mogelijk is, zeg je? Omdat zodanige onrecht een
minnaar
dwingt meer lief te hebben, maar minder welwillend te
zijn.
Catullus Carmen 75.
Hierheen is mijn geest door jouw schuld, Lesbia, naar
beneden gevoerd
en heeft zich zelf door haar toewijding zo te gronde
gericht
dat ze niet meer in staat is welwillend te zijn tegen
jou, al werd je de beste,
dat ze niet kan stoppen je lief te hebben, al deed je
alles.
Catullus Carmen 76.
Als er enig genoegen bestaat voor een mens, zich herinnerend
zijn eerder weldaden,
wanneer hij bedenkt dat hij plichtsgetrouw is,
en geen heilige trouw heeft geschonden, en in geen enkel
verbond
meineed heeft gepleegd om mensen te bedriegen,
liggen voor jou vele vreugden gereed in een lang leven,
Catullus,
na deze ondankbare liefde.
Want wat de mensen iemand ook maar goed kunnen zeggen
of doen, dat is door jou gezegd en gedaan.
Alles wat in een ondankbaar hart is geïnvesteerd
is verloren gegaan.
Waarom moet je je nog, waarom nog meer, folteren?
Waarom verman je je niet en trek je je vandaar terug
en houd je op tegen de zin van de goden ongelukkig te
zijn?
Het is moeilijk plotseling een lange liefde op te geven,
het is moeilijk, maar je moet het voltooien - hoe dan
ook:
Dit is je enige redding, dit moet door jou bereikt worden,
dit moet je doen, of dit nu onmogelijk is of mogelijk.
O goden, als het U eigen is medelijden te hebben, of
als jullie ooit sommigen
uiterste hulp hebben gebracht zelfs in juist de dood,
zie mij ongelukkige aan en, als ik mijn leven zuiver
heb geleefd,
ruk me deze ziekte en ondergang uit,
die mij als een verlamming tot in mijn uiterste ledematen
binnensluipend
de vreugde uit heel mijn hart heeft uitgedreven.
Dat vraag ik niet meer, dat ze van haar kant mij bemint,
of, wat ze niet kan zijn, dat ze kuis wil zijn:
Ik wil zelf genezen en deze walgelijke ziekte afleggen.
O Goden, geef mij dit voor mijn plichtsbesef.
Catullus Carmen 85.
Ik haat en ik heb lief. Waarom ik dit doe, vraag je misschien:
ik weet het niet, maar ik voel dat het gebeurt en word
verscheurd.
Catullus Carmen 87.
Geen vrouw kan zeggen dat ze zozeer oprecht is bemind
als mijn Lesbia door mij is bemind.
Geen enkele trouw in enig verbond was ooit zo groot,
als in mijn liefde voor jou van mijn kant is aangetroffen.
Catullus Carmen 92.
Lesbia scheldt me altijd uit en zwijgt nooit
over mij: (maar) moge ik sterven, als ze niet van me
houdt.
Met welk teken? Omdat er net zo vele [scheldpartijen]
van mij zijn, ik vervloek haar
voortdurend, maar moge ik omkomen als ik niet van haar
houd.
Catullus Carmen 101.
Door vele landen en over vele zeeën gereisd
kom ik, broer, tot dit ellendig dodenoffer,
om je te begiftigen met een laatste geschenk van de dood
en om vergeefs je zwijgende as toe te spreken.
Omdat de fortuin mij jou zelf heeft afgenomen,
ach ongelukkige broer onwaardig mij ontrukt
aanvaard nu ondertussen toch dit [geschenk], dat naar
oud gebruik van de voorvaderen
geschonken is als een droevige gave tot dodenoffer
zeer nat zijnde door het getreur van je broer,
en gegroet in eeuwigheid, broer, en vaarwel.
Catullus Carmen 109.
Jij, mijn leven, je belooft me dat deze wederzijdse liefde
van ons aangenaam
en dat ze eeuwig zal zijn.
Grote goden, zorgt er voor dat ze het echt kan beloven,
en dat ze dit eerlijk zegt en uit haar hart,
zodat het ons mogelijk is om in het hele leven
dit eeuwige verbond van heilige vriendschap voort te
zetten.
Catullus Carmen 113.
Cinna, toen Pompeius voor het eerst consul was, hadden
twee de gewoonte met
Moecilia [te vrijen]: nu hij weer tot consul is gekozen
zijn de twee gebleven, maar er zijn gegroeid duizend
tegen één
afzonderlijk. Door overspel is zaad vruchtbaar.